Gods goede schepping!?

De reacties op Gijsbert van den Brinks boek En de aarde bracht voort maken eens te meer duidelijk dat de oorsprongsvragen er toe doen voor christenen. Wat opvalt in de reacties is dat de discussie zich toespitst op de juistheid van de evolutietheorie als zodanig. Diezelfde reacties tonen aan dat dit een weinig begaanbare weg is die onvermijdelijk eindigt in een patstelling. Het is dan ook zeer te prijzen in de benadering van En de aarde bracht voort dat de hermeneutische en theologische vraag voorop staan. In feite zijn dit ook de vragen waar veel christelijke kritiek op de evolutie ten diepste over gaat. Van den Brinks probleemstelling geeft daar blijk van: acceptatie van de evolutietheorie heeft gevolgen voor theologische reflectie.
Van den Brinks boek valt dan ook te lezen als een theologische prijsberekening. Wat mij betreft vormt hoofdstuk 7 de kern van het boek. Van den Brink stelt hier het Bijbels meta-narratief aan de orde: schepping – val – verlossing – voltooiing. In deze blog breng ik met name het denken over val, verlossing en voltooiing in het licht van de evolutietheorie ter sprake. Mijn bijdrage beperkt zich tot een relatief korte, maar essentiële passage van het boek, waarin de grote thema’s van het christelijk geloof ter sprake komen.

Alleen maar winst!?

Als het gaat over de voltooiing en verlossing trekt Van den Brink de onvermijdelijke conclusie van de evolutietheorie door te stellen dat er een kwalitatief verschil is tussen het proton en het eschaton. Door Christus wordt de mens tot een “hogere zijnswijze” gebracht (261). Van den Brink duidt dit zeer positief. In zijn eigen woorden: “Het wil zeggen dat (…) de evolutietheorie ons kan helpen prachtige aspecten van het evangelie te ontdekken die daarin lange tijd wat verborgen hebben gelegen” (262).
Het nieuw ontdekte aspect richt zich op de reikwijdte van de verlossing, die volgens Van den Brink ook “onze schepselmatige kwetsbaarheid voor zonde en lijden, dood en verval” (262) beslaat. Van den Brink kiest op dit terrein niet de eenvoudigste weg, door de “dood” geestelijk te duiden. Het gaat hem hier duidelijk om de fysieke dood (243-244).  Hij presenteert deze vondst als een uitbreiding van het Augustijnse onderscheid tussen “posse peccare” en “non posse peccare”. Verlossing beslaat hiermee echter wel een terrein dat veel breder is dan de val.
Van den Brink projecteert deze nieuw-gevonden reikwijdte terug naar de verkiezing. Een passage die de moeite waard is om Van den Brinks positie te duiden, is de volgende:
“In technischer termen uitgedrukt: we moeten het belang en de reikwijdte van het verlossingswerk van Christus en de Geest meer in supralapsarische dan in infralapsarische zin denken: hoewel het ongedaan maken van de negatieve gevolgen van de zondeval beslissend blijft voor het heil, gaat Gods verlossend handelen verder dan dat. Ook het lijden en de dood af aan met het leven op aarde gegeven zijn, zullen volgens het evangelie immers worden overwonnen.” (261)
Hiermee is de volledige reikwijdte van Van den Brinks stelling duidelijk. Van den Brink plaatst hier namelijk de volle verantwoordelijkheid van de menselijke conditie in de goddelijke wil. Deze theologische keuze impliceert in ieder geval twee opvallende innovaties ten opzichte van het “klassieke” standpunt:
  • Het Augustijnse model is zeer terughoudend met het maken van een onderscheid tussen proton en eschaton. In feite had de menselijke wil in beide periodes exact gelijk kunnen zijn, het verschil zit in de mogelijkheid van vallen. De natuurstaat van de evolutionaire mens verschilt daarentegen significant van de toestand van de verloste mens.
  • Van den Brink geeft ook een niet-klassieke interpretatie aan het supralapsarisch standpunt. Waar het zwaartepunt van de klassiek-gereformeerd discussie over infra- en supralapsarisme ligt bij het uitgangspunt van Gods verkiezend handelen, ligt dat bij Van den Brink in de reikwijdte.

Goddelijke antithese

Mijn stelling is dat door deze keuzes de grondstructuur van de theologie diepgaand verandert. Ik ga in mijn analyse uit van een klassiek meta-narratief, dat met de volgende stellingen worden samengevat:
  1. Gods relatie met de mens in het werkverbond is als doel onlosmakelijk verbonden aan Gods scheppingsdaad. Een mens buiten de relatie met God is niet in lijn met Gods scheppingsplan;
  2. De val is niet continu met Gods doel met de schepping, maar gaat in tegen Gods oorspronkelijke doel;
  3. Gods ingrijpen in Christus heeft herstel van het oorspronkelijk doel van de schepping op het oog;
  4. In de voltooiing is herstelde relatie primair, niet het extra (“non posse peccare”).
Van den Brink brengt op basis van een evolutionaire ontstaanstheorie een scheiding aan tussen schepping en verbond. In de klassieke theologie is Gods verbond het logisch, daarmee overigens niet minder genadig, vervolg op zijn goede schepping. Relatie, verbondenheid en harmonie tussen God en mens zijn kenmerkend voor Gods goede schepping. In Van den Brink’s weergave kiest God bewust een manier van scheppen die leidt tot een antithese tussen God en schepsel. God schept dus een wereld die een negatief moment vormt ten opzichte van Gods eigen bestaan.
Dat is een significante verschuiving ten opzichte van een klassiek model. Augustinus en generaties theologen voor en na hem was er veel aan gelegen om de “goedheid” en de “doelgerichtheid” van de schepping aan te tonen tegenover de fronten van emanatie-denken (neo-Platonisme) en dualisme (gnostiek en manicheïsme). In deze denklijn liggen zonde en dood helemaal op het bord van de menselijke keuze. Het effect hiervan is dat God zoveel als mogelijk buiten het kwaad blijft. Bij Van den Brink is veel minder duidelijk dat de val geheel op het conto van de mens te schrijven is. De vraag dringt zich op of de eerste generatie “beschaafde” en altruïstische wezens in staat was het groepsverleden van zelfgerichtheid en dood volledig achter zich te laten. De val lijkt meer de logische effectuering van de schepping te zijn dan verbondsvervulling was geweest.
Van den Brink is er veel aan gelegen de christelijke boodschap van verlossing en voltooiing in stand te houden. Deze verlossing heeft betrekking op de negatieve bijproducten van de schepping. Daarmee verandert het type probleem dat Jezus’ verlossingswerk oplost. In klassieke vormen van theologie heeft het verlossingswerk betrekking op een “moreel” probleem; denk bijvoorbeeld aan morele gerichtheid of schuld. Zelfs in vroeg-christelijke verlossingsmodellen die de nadruk leggen op de overwinning van de dood speelt het morele aspect van de voldoening een rol. Die nadruk heeft alles te maken met de exclusieve verbinding tussen val en verlossing. Bij Van den Brink is de relatie tussen val en verlossing veel minder exclusief. Christus heeft dus ook in de eerste plaats een ontologische kloof te overbruggen en dat heeft direct gevolgen voor een ander theologisch thema, de rol van Christus ten opzichte van de schepping. De vraag dringt zich op of de incarnatie en het kruisgebeuren ook nodig waren geweest als de mens niet was gevallen. Vanuit de sterke nadruk op de verlossing van onze schepselmatige conditie, lijkt deze conclusie haast onvermijdelijk.

Verlossingsmonisme?

Van den Brinks “uitgebreide” soteriologie lijkt zich zo dus in te vreten op andere terreinen van de theologie. Het effect van een evolutionistisch beeld op het ontstaan van leven is dat de relatie tussen God en mens bijna uitsluitend in verlossingstermen kan worden uitgedrukt. Op het moment dat hij Zijn verbond aanbiedt, heeft God eigenlijk al de functie van een Verlosser, door de mogelijkheid te bieden om aan zonde en dood te ontsnappen. Dat is een risicovolle innovatie op een klassieke theologie, waarin Gods verbond in continuïteit met de goede schepping wordt gezien.
Het is daarom ook maar zeer de vraag of een schepping die zo verlossingsbehoeftig is nog wel “goed” te noemen valt. Het loslaten van de goede schepping betekent echter zo zeer het vertrek van een katholiek standpunt, dat zo’n theologie zich buiten de grenzen van de orthodoxie zou begeven. De vraag is dus op wat “goed” heet in een schepping die zo sterk verlossing nodig heeft. Volgens mij zijn er drie theologische trajecten te volgen:
  • Het doel van de mens ligt binnen zijn eigen sterfelijk bereik (“goed” = de schepselmatige conditie). Van den Brink lijkt deze optie af te wijzen door ruimte te laten voor een voltooiing die dood en verderf opheft.
  • God heeft antithese nodig om tot zelfverwezenlijking te komen. God gaat als het ware een proces aan om Zichzelf te verwezenlijken waarin de ontkenning van Zijn Zelf nodig is (“goed” = het proces en het eindresultaat daarvan).
  • Het negatieve moment is relatief in de zin dat het een negatief moment in Christus is. Vanuit Christus als Verbondshoofd is de opheffing van de antithese reeds geanticipeerd (“goed” = de schepping in het perspectief van de vervulling door Christus).
Deze drie varianten zijn elk door de geschiedenis heen met meer of minder succes in de gereformeerde theologische constellatie ingepast, maar wijken elk ook op hun wijze af van een aantal klassieke commitments en concerns. Wat mij betreft is de kern daarvan wel het commitment aan de goedheid van de schepping, met parallel daaraan de aandacht voor een evenwichtig zicht op de verhouding tussen schepping en verlossing. Kortom, het doorrekenen van Van den Brink’s theologische eindbalans stuit op een aantal kwesties. Het gaat dan in elk geval om de volgende kritische vragen:
  1. Wat is de aard van de relatie tussen schepping en (werk)verbond, uitgedrukt in termen van continuïteit en discontinuïteit? In hoeverre is de schepping als “goed” te waarderen?
  2. Wat is de aard van het “extra” van het eschaton ten opzichte van het proton?
  3. Wat is de verhouding tussen Christus en de schepping? Is er ruimte om over een andere rol van God ten opzichte van de schepping te spreken dan alleen de rol van Verlosser?

Reactie? Van harte welkom onder deze bijdrage!

Advertisements

One thought on “Gods goede schepping!?

  1. Geweldig goed stuk. Onthutsende analyse. Twee vragen: Vertoont het denken van Van den Brink Hegeliaanse trekken? In hoeverre strijd zijn visie met Romeinen 5:12-21?

    Like

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s