Het kwaad in eigen hand

chris-b-229247

Het probleem van het kwaad is een van de bekendste bezwaren tegen religie en, meer specifiek, tegen het christendom. Dat God zowel goed als almachtig is, zou voor velen elke vorm van kwaad moeten uitsluiten. Toch is de houding van de moderne mens tegenover het kwaad op zijn minst ambigu te noemen. zoals de volgende citaten uit de populaire cultuur laten zien:

Elk mens heeft goed en kwaad in zich en bij een normaal mens houden die twee elkaar in evenwicht.
                    Peter van Gucht, Suske en Wiske: De zwarte tulp (2014)
“Ik heb me laten inspireren door Pandora, de eerste vrouw op aarde, die durfde te rebelleren tegen de goden. Pandora kreeg een doos en het strikte verbod hem te openen. Toen ze dat wel deed, liet ze alles vrij wat tot dan toe diep verborgen was, zowel het kwade als het goede. Net als Eva creëerde ze zo het waarachtige leven. Wees als Pandora, en word de meesteres van je eigen lot!”
                    www.marliesdekkers.nl (geraadpleegd op 3 mei 2017)
Beide citaten laten twee belangrijke aspecten van een hedendaagse benadering tot het kwaad zien. In deze benadering dienen goed en kwaad in evenwicht te zijn om de volle rijkdom van de werkelijkheid of van menszijn te ervaren. Daarnaast worden goed en kwaad teruggebracht tot het niveau van het individu. Kortom, als individu heb ik het kwaad in eigen hand. Beide aspecten zijn nauw verbonden en laten iets fundamenteels zien van onze Westerse manier van denken. In deze blog analyseer ik beide aspecten en reik ik Bijbelse kernnoties aan die onmisbaar zijn voor een christelijke houding ten opzichte van het kwaad.

Het eerste aspect heeft te maken met de metafysische benadering van het kwaad in de Westerse theologie. Door de geschiedenis heen werd het kwaad steeds meer een abstract verschijnsel, dat op een even zo abstracte manier een plek krijgt in Gods plan. Uiteraard is de notie dat God over het kwaad beschikt Bijbels. Tegelijkertijd beschrijft de Bijbel Gods verhouding met het kwaad ook in termen van strijd en overwinning. Hoewel Jezus na kruis en graf als Overwinnaar verschijnt, toont het tegelijk de ernst van Jezus confrontatie met dood en kwaad.

Een van de gevolgen van abstractie van het kwaad tot macht treffen we in de filosofie van na de Verlichting in de vorm van de idee dat het goed het kwaad nodig heeft om tot ontplooiing te komen. Zonder enige twijfel is de Duitse filosoof G.W.F. Hegel degene die dit idee op de meest omvattende manier heeft gesystematiseerd. Hegels belangrijkste innovatie is om de geschiedenis te begrijpen als een groot denkproces. Hiervoor gebruikt hij Kants ontdekking dat mensen niets kunnen weten buiten de categorieën die de geest aanlevert. Hegel omarmde deze vaststelling door een systeem te bouwen op de idee dat alle kennis ontstaat door reflectie op onze verstandelijke categorieën. Het gevolg hiervan is dat de denkende en de gedachte werkelijkheid in essentie dezelfde zijn. Daarnaast is de hele geschiedenis een transcendent gebeuren geworden, met bijna goddelijke eigenschappen.

In deze werkelijkheid ontstaat kennis in een voortdurende kringloop van these, antithese en synthese. Kort en goed betekent dit dat de eerste entiteit in tegenspraak moet treden tot zijn absolute tegenpool. Zolang deze eerste entiteit niet is ontkend door zijn tegenpool, is zij in wezen inhoudsloos. Tegenspraak – of zelfs een tegengestelde entiteit – is dus nodig om kennis te verwerven. In de laatste fase, die van de synthese, worden beide polen verenigd. Echter, in deze laatste fase is de eerdere tegenstelling naar een hoger niveau getild (aufheben) en daardoor nog steeds aanwezig.

De filosofie van Hegel was zeer invloedrijk in de 19e eeuw. Grofweg leverden zijn denkbeelden twee stromingen op. Het meest bekend werden de links-Hegelianen, die de geschiedenis gelijkstelden aan Hegels gedachtewereld. Voorbeelden zijn Karl Marx, met zijn tegenstelling tussen kapitaal en arbeid en David Friedrich Strauss en Ludwig Feurbach, die Hegels ideeën aanwenden om het christendom te begrijpen. Hegels ideeën spraken ook conservatievere denkers aan en via deze route bereikten ze confessionele theologen. De piëtistische kerkhistoricus August Neander bijvoorbeeld, juichte vergaande vormen liberalisme en katholiek dogmatisme toe, omdat ze – als ontkenning – de waarheid dichterbij brachten. Dit was zeker geen uitzonderlijke positie; veel van zijn confessionele geestverwanten benaderden “ketterse” stromingen en leerstellingen niet meer als afwijkingen van de waarheid, maar juist als stappen in de zoektocht naar de waarheid. In dit voorbeeld gaat het nog om binnenwereldse processen, maar velen voerden dit verder door en zagen ook het kwaad als zodanig als een noodzakelijke tegenspeler voor God. De diepte van Gods goedheid kon – in hun opvatting – slechts zichtbaar worden door de interactie van God met kwaad in de geschiedenis.

Ondertussen zijn we een twintigste eeuw verder. Onderweg zijn we collectief het geloof in allesomvattende denkprocessen kwijtgeraakt. Wat overblijft is mijn eigen project, mijn eigen zoektocht. De dynamiek van goed en kwaad blijft echter overheersend. Als je goed luistert naar levensverhalen, is kwaad vaak geen struikelblok, maar een springplank. Voor dit laatste deel van het proces, de individuele benadering van het kwaad, is het begrip displacement belangrijk, dat Colin Gunton muntte in zijn boek The One, the Three and the Many. Dit begrip beschrijft het proces waarin theologische begrippen, die in een ver verleden op God betrekking hadden, via verlichting en moderniteit ontwikkelden tot eigenschappen van mensen of instituties. Het kwaad in de hand houden was niet langer een eigenschap van God, maar verschoof via historische processen en maatschappelijke instituten naar onze eigen individuele verantwoordelijkheid.

Misschien lijkt bovenstaande benadering van het kwaad een zinvolle interpretatiesleutel om de werkelijkheid te begrijpen. Op het eerste gezicht lijkt het bijvoorbeeld een zienswijze die onze eigen verantwoordelijkheid ruimte geeft. Toch heeft de beschreven benadering wel een heel vervelend bijeffect, namelijk dat kwaad een immanent verschijnsel is geworden. Waar het voor de Middeleeuwse theoloog een vraag was hoe kwaad kon bestaan in de Geest van God, is het kwaad nu een binnenwerelds probleem geworden. Waar het premoderne denken in elk geval het kwaad nog veilig in Gods hand liet, vraagt deze manier van denken erom dat wij het kwaad op een verantwoorde wijze tegemoet treden – wat dus niet per definitie een afwijzende houding is.

Een remedie tegen displacement zou kunnen zijn om kwaad te laten waar het hoort. In de Bijbel ontmoeten we een God die zelfs boven het kwaad staat. Op wonderlijke wijze is ons falen en gebrek voor God een hindernis, maar wendt Hij het aan voor Zijn goede raad. Voor ons mensen is het kwaad echter een maat te groot. Tegelijk vragen de gesignaleerde afdwalingen ook om kritische reflectie op het evenwicht in ons eigen denken. Een metafysische benadering van het kwaad draagt het risico in zich dat het kwaad langzamerhand goed wordt.
De belijdenis dat God gebruik maakt van de machten van het kwaad is niet het enige wat de Bijbel over kwaad zegt. Voor een evenwichtige visie en bescherming tegen moderne dwalingen, vraagt een cluster van Bijbelse gegevens om nieuwe aandacht en – niet in de laatste plaats – om een plaats in onze spiritualiteit. In elk geval gaat het dan om de volgende eigenschappen van het kwaad, waar de Bijbel op wijst:

I. Concreet. Kwaad heeft te maken met concrete handelingen, die zich laten karakteriseren als opstand. Dat wordt niet alleen duidelijk in Genesis 3, waar de oorsprong van het kwaad aan de orde komt, maar ook in wetsteksten en profetieën uit het Oude Testament.

II. Persoonlijk. De idee dat het kwaad een abstracte macht is, vindt weinig steun in de Bijbel. In zowel Oude als Nieuwe Testament wordt het kwaad verbonden aan de persoon van de duivel, aan duivelse machten en aan de mensen die zich in zijn gevolg bevinden.

III. Fataal. Gods gebruik van Zijn tegenstanders impliceert niet hun redding. Oudtestamentische profeten en het boek Openbaring laten zien dat het oordeel al geveld is. Op de opstandingsdag bleken duivelse machten hun hand met Jezus te hebben overspeeld. Aan het kruis veroordeelde God voor eens en voor altijd het kwaad, een veroordeling die een zekere uitvoer wacht.

Deze noties hoeven niet af te doen van het belang van het kruis voor verzoening, rechtvaardiging en reiniging van onze zonden. Integendeel, deze blik op het kwaad verrijkt ons perspectief op Christus’ leven en sterven als een strijd tegen het kwaad dat mens en mensheid in de greep heeft. Niet voor niets reikt het Oude Testament een veelvoud aan beelden aan die Gods verlossend ingrijpen beschrijven; niet voor niets toont het Nieuwe Testament een grote diversiteit aan perspectieven op Jezus’ werk.

Aandacht voor deze aspecten van Christus’ verlossingswerk verdiept ons begrip van Zijn betekenis voor ons. Het laat ons niet alleen de omvang van de zondige menselijke conditie zien, maar ook de reikwijdte van Christus overwinning over alle aspecten van het kwaad. Tenslotte toont het ook de diepte van Gods wil, die zelfs de geduchte tegenstand van duivelse machten baas kan.
Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s